natuurbeschermingswet

2. Groene moraalridders

Over het verwerpen van de intrinsieke waarde van de natuur

Binnenkort spreekt de Tweede Kamer over een nieuwe Natuurbeschermingswet (NBwet). 50 natuurbeschermingsorganisaties hebben met een gezamenlijk Visiedocument alvast een voorzet gegeven. Hun werkstuk is zo doorwrocht, dat je bijna zou denken dat de Tweede Kamer dit Visiedocument als een kant en klare Nota van wijziging op de wetsvoorstellen zou kunnen goedkeuren. Zij kan daar maar beter van af zien.

ridders 054

foto Wim Vermaak

Het begrip intrinsieke waarde komt uit de ethiek en wil aangeven dat iets een waarde in zichzelf kan hebben, los van de (instrumentele) waarde die wij er aan toe kennen. Milieufilosofen hebben dit begrip toegepast op natuur vanuit de gedachte dat planten, dieren en mensen in beginsel evenveel recht op bestaan hebben. Echter, onder filosofen is er volstrekt geen consensus over de bruikbaarheid van dit begrip. De wetgever zou zich moeten afvragen of zij haar wetten wil baseren op controversiële, niet uitgekristalliseerde begrippen.

Toch heeft de wetgever het begrip intrinsieke waarde al eerder gebruikt, o.a. in de ‘Wet dieren’ van 2011, waarin regels worden gesteld ten aanzien van gehouden dieren en daaraan gerelateerde onderwerpen. Dan gaat het bijvoorbeeld over veehouderij en over vivisectie. In deze wet is het gebruik van het begrip intrinsieke waarde echter te billijken. Immers, het object waarvan de waarde moet worden erkend is goed afgebakend. Maar bovenal wil de wetgever een gericht handelingsperspectief jegens huisdieren creëren: er valt uit af te leiden dat je iets moet doen en laten om dierenleed te voorkomen, om natuurlijk gedrag van dieren te bevorderen en wat dies meer zij. Het Visiedocument stelt voor om dit aspect van de ‘Wet dieren’ te verbreden naar de NBwet. Dat is echter methodologisch onjuist: richtlijnen voor het algemene (i.c. de gehele natuur) laten zich niet definiëren vanuit richtlijnen voor het bijzondere (i.c. het individuele huisdier). Dat zou de beginselen van ons rechtssysteem aantasten!

Het Visiedocument beveelt vervolgens aan om bij de verstoring van de natuur de intrinsieke waarde van die natuur af te wegen tegen het belang van mensen die de verstoring veroorzaken. Maar dit is een drogreden. Wanneer geen uitdrukking gegeven kan worden aan intrinsieke waarde (Is het blauw? Is het relatief of absoluut?) kan het niet afgewogen worden tegen een andersoortige (instrumentele) waarde. ‘Natuur’ is als begrip veel te abstract om het als object van intrinsieke waarde te kunnen beschouwen en de NBwet gaat niet over concreet afgebakende objecten. Over welke natuur wil men het hebben? Over de Huismus? Over alle natuur binnen onze natuurgebieden? En houdt de natuurbeheerder zelf wel rekening met de intrinsieke waarde wanneer hij het ene type natuur bevordert boven het andere? “Als we niet beheren, groeit er overal bos” is een veelgebruikt motief om willens en wetens de ene soort om zeep te helpen om ruimte te creëren voor een andere. Net als bij de keuze voor elke andere verstoring van ‘de natuur’ blijf je na het erkennen van de intrinsieke waarde met lege handen staan.

Intrinsieke waarde is voer voor milieufilosofen en de wetgever zal een taaie kluif hebben aan het omschrijven van ‘het erkennen van intrinsieke waarde’ in haar Memorie van toelichting op de NBwet. Zij kan zich er maar beter helemaal niet aan branden. Het streven is immers naar een wet die helderder is dan de huidige. Met het voorstel om het begrip intrinsieke waarde op te nemen in de NBwet schieten de groene organisaties hun doel voorbij. En dat is jammer, vooral omdat hun Visiedocument in alle andere opzichten een constructieve bijdrage is aan de discussie. Tenslotte hebben we intrinsieke waarde helemaal niet nodig om een nieuwe wet van een stevig fundament te voorzien. Er zijn redenen te over om natuur te beschermen, niet in het minst die vanuit een welbegrepen eigenbelang.

30 januari 2014