Author: Bas

15. Mark Rothko

Mark Rothko: Red on Maroon Mural, Section 2, 1959.

Mark Rothko: Red on Maroon Mural, Section 2, 1959. Foto: Tate.org.uk

“Just how powerful is art? Can we feel like love or grieve? Can it change your life? Can it change the world?” Deze Grote Vragen stelde Simon Schama ter introductie van het laatste deel van de BBC serie ‘The Power of Art’, uitgezonden in het najaar van 2006. Met gevoel voor dramatiek had de BBC in het begeleidende schrijven daar nog een schepje bovenop gedaan: “This is not a series about things that hang on walls, it is not about decor or prettiness. It is a series about the force, the need, the passion of art …the power of art.”. Ik zal het maar meteen bekennen, de uitzending was aan mij goed besteed en Schama wekte mijn nieuwsgierigheid naar het werk van Mark Rothko. Toen twee jaar later in de Tate Modern een grote overzichtstentoonstelling van zijn werk te zien was en ik in Londen was, had ik het er graag voor over om 2 uur in de wachtrij te staan om toegangskaarten te bemachtigen.

Op 30 oktober 2008 zag ik voor het eerst het werk van Rothko en ik werd totaal overdonderd. Natuurlijk had ik me voorbereid, ik had me een beetje ingelezen en de introductie op de website van Tate bekeken. Maar om met de woorden van Rothko zelf te spreken, al het commentaar van kunstcritici op en bij zijn werk was prietpraat. Op de eerste ontmoeting met zijn werk kán je je niet voorbereiden. Onze taal schiet tekort om te beschrijven wat je op zijn schilderijen ziet, laat staan om te beschrijven wat je als kijker ervaart. Rothko’s fenomenale kracht zat erin om met abstracte kleurvlakken een werkelijkheid te creëren die ver buiten onze rationele werkelijkheid ligt. Schilderijen in Tate waar ik als kijker in verdween, bijvoorbeeld in het oneindige niets van een inktzwarte nacht. Ik voelde hoe mijn rationele brein in opstand kwam: “Hoe kan het dat iemand het Niets kan verbeelden, kan materialiseren met lagen verdunde verf?!”.

Mark Rothko nr 6(?), 1964.

Mark Rothko nr 6(?), 1964. Foto: Tate.org.uk

Intussen zijn we zes jaar verder, het Gemeentemuseum in Den Haag is aan de beurt om groot uit te pakken met Rothko en dat zullen we weten ook. Er waart een Rothko-koorts door Nederland: er zijn lezingen en  schilderworkshops, kranten en tijdschriften staan bol van Rothko en voor een bezoek aan het museum sta je even in de rij*. Wat maakt dat we Rothko’s werk als schrijnend (‘poignant’ zoals hij zelf zei) ervaren, dat het direct onze primaire gevoelens raakt? Wat maakt dat we in zijn werk onverbiddelijk geconfronteerd worden met zowel eindigheid als oneindigheid? En zegt dat iets over onze eigen ideeën en gedachten over deze en gene zijde van de grenzen van ons bestaan en zo ja, wat dan?

Slechts vragen, geen antwoorden. Ga vooral zelf kijken in Den Haag!

 

* N.B. In een eerdere versie van deze blog had ik geschreven dat je voor een bezoek aan het Gemeentemuseum moet reserveren. Het museum maakte mij er op attent dat dit niet het geval is, je kan er zonder te reserveren naar toe!

14. Tabee!

Zwaluwtrek

Zwaluwentrek

Het is vooral de wijze waarop het vertrek plaatsvindt die tot weemoed stemt: resoluut, onherroepelijk en dan ook allemaal. Ze laten een leegte achter en sluiten de zomer definitief af, de wegtrekkende Boerenzwaluwen in september. Vanaf het begin van deze maand zie je ze vrijwel dagelijks  in groepen overvliegen, vaak vergezeld van Huiszwaluwen, tientallen tot soms wel honderden individuen bij elkaar. Vaak vliegen ze insectenvangend heen en weer en blijven ze een kwartiertje hangen op een voedselrijke plek, maar de grote beweging is toch altijd die naar het zuiden. Ze dwingen bewondering af met hun doelgerichte gedrag, twijfel kennen ze niet. Ze hebben dan ook geen keuze, hier blijven is geen optie en wat niet mee kan komen, laten ze achter. Ze gáán, zonder compromis. Mijn weemoed in de nazomer wordt natuurlijk ook gewekt door het veranderende licht, door de doorleefde sfeer in de tuin en de nevelige kilte in de vroege ochtend als de eerste voorboden van de komende winter. Maar het zijn toch vooral deze vogeltjes die me echt raken met hun tijding: “Wij vertrekken. Tabee!”. Zij zijn een metafoor voor de vrijheid om op te stappen wanneer je de kriebels daartoe voelt en voor het verlangen naar het reizen naar oorden ver voorbij de einder.

De trek van de Boerenzwaluwen in de nazomer houdt een paar weken aan, een deel van de Noord-Europese populatie komt hier voorbij. Het is altijd ongewis wanneer je het laatste exemplaar ziet overvliegen, soms pas laat in oktober. Na de eerste flinke nachtvorst is het meestal wel voorbij, er valt dan nauwelijks meer voedsel te halen, hen rest slechts regelrecht doorvliegen en hopen dat ze de eerste grote barrière halen, die van de Alpen of de Pyreneeën. Je kan dus lekker lang genieten van hun nazomertrek, in tegenstelling tot bijvoorbeeld die van de Gierzwaluwen. Gierzwaluwen vertrekken rond 1 augustus met de noorderzon en laten je met stomheid geslagen achter, van de ene op de andere dag zijn ze verdwenen. “Ik had ze nog één keer willen zien!” mijmer ik ieder jaar weer, en die ene verdwaalde Gierzwaluw die ik half augustus nog bij toeval zie, maakt dat gemis niet meer goed. Niets geen afscheid, niets geen langzaam wennen aan het idee dat ik het de volgende 9 maanden zonder hen moet stellen.

Deze week zag ik Boerenzwaluwen nog een stal van een boerderij net buiten Driebergen binnen vliegen. Dat duidt op een heel laat nest met jongen. Ze kunnen nog even profiteren van de warme nazomerdagen, maar mijn weemoed kent grenzen: “Hup! Opschieten! De tijd dringt!”.

13. The early bee catches the honey

Het bekende verhaal van de bloemetjes en de bijtjes verdient nuancering. Bijen doen het immers niet alleen met bloemen maar ook met luizen. Vorige week zondag (7 september 2014) bewandelde ik mijn vertrouwde zondagochtendpad en om half 10 liep ik langs de lange lindelaan van Beverweerd bij Werkhoven. Over de gehele lengte van de laan van ruim 500 meter klonk een zwaar gegons van honingbijen, hoog vanuit de toppen van de lindebomen en in volume vergelijkbaar met dat van een bijenzwerm. Ook in het aangrenzende eikenbos aan het begin van de laan was datzelfde zware gegons te horen. De bijen vlogen op de honingdauw, geproduceerd door luizen. Op het bijgevoegde filmpje (klik hier) is het gegons goed te horen, mits je computer in een stille kamer staat en je de volumeknop voluit open zet.

De lange lindelaan van Beverweerd Klik op de foto voor een beter beeld

De lange lindelaan van Beverweerd
Klik op de foto voor een beter beeld

Het was uitstekend weer voor de bijen: een mooie zonnige nazomerochtend met wat restanten nachtelijke nevel, bijna windstil en een graad of 17; de nacht ervoor was relatief warm verlopen. Op de terugweg van de wandeling, een klein uurtje later, was het al weer nagenoeg stil. Je hoorde nog wel bijen vliegen, maar bij lange na niet in de hoeveelheden van een uur daarvoor. De nachtelijk geproduceerde honingdauw was blijkbaar geconsumeerd. The early bee catches the honey!

Ik verbaasde mij over dat zware gegons, dit betrof een zéér zware honingdracht. Er moeten tienduizenden bijen hebben gevlogen, gezien de lengte van de lindelaan en de oppervlakte van het eikenbos. Wellicht dat bijen honingdauw (voor een deel) vliegend verzamelen, waardoor je ze zo goed kan horen. Een bij die op een bloem nectar opzuigt beweegt haar vleugels niet en die hoor je niet; pas wanneer zij wegvliegt naar de volgende bloem kan je haar weer horen.

Vanmorgenvroeg ben ik opnieuw gaan luisteren in Beverweerd. De weersomstandigheden waren vergelijkbaar met die van een dag of 10 geleden en inderdaad werd er nog steeds druk gevlogen, zij het wel fors minder dan de vorige keer. Bovendien viel het me op dat het gegons alleen zeer lokaal te horen was. Een klein eindje verderop in hetzelfde type bos (eveneens hoog opgaand loofhout op komklei) was niets te horen. Dat zal te maken kunnen hebben met de afstand van de locatie tot de standplaats van de bijenvolken, maar zeker ook met de mate waarin de betreffende eiken en linden bezet zijn met luizen.

In Nederland wordt bladluizenhoning weinig gewaardeerd. Het is niet alleen een zeer onregelmatige honingdracht (het treedt lang niet alle jaren op en met een beetje regen spoelt de honingdauw direct van de bladeren af), de smaak is uitgesproken kruidig en de honing is zeer donker van kleur. Het zou niet goed zijn voor de bijen als laatste dracht vlak voor de winter, maar volgens mij is dat flauwekul. In Duitsland en Frankrijk is die waardering geheel anders. De zogenaamde Tannenhonig uit het Schwarzwald en het Bayerische Wald (de door bijen verzamelde honingdauw van schildluizen op zilverspar) is zeer gewild en de prijs is anderhalf tot twee keer zo hoog als die van bloemenhoning. In Frankrijk wordt zelfs een appelation d’origine contrôlée toegekend aan de Miel de Sapin des Vosges. Misschien iets om over na te denken voor de imkers uit Werkhoven en Odijk?

 

 

12. De oogfactor

Verleiding zit vaak in een klein detail zoals een oogopslag en dat is niet verwonderlijk. Wij zijn immers uitermate gevoelig voor ogen. Oogcontact behoort met huidcontact tot de meest intieme vormen van communicatie. Het bewust vermijden dan wel het zoeken van oogcontact laat niemand onberoerd en intuïtief voel je altijd wel aan wat ermee wil worden uitgedrukt. Één blik in de ogen van een ander leert je ogenblikkelijk wat de ander in zijn schild voert.

Ik heb de indruk dat ogen ook in de rest van het dierenrijk een belangrijke rol spelen in de onderlinge communicatie, niet alleen tussen soortgenoten, maar ook tussen individuen van verschillende soorten. Ik denk zelfs dat de mate waarin wij ons aangetrokken voelen tot bepaalde dieren dan wel onze gepaste afstand ertoe bewaren, voor een niet gering deel bepaald wordt door de uitdrukking van de ogen van het betreffende dier. Rudi Kousbroek introduceerde in 1969 het begrip aaibaarheidsfactor als relatieve maat voor de genegenheid die door dieren (en meer in het bijzonder door katten) bij mensen wordt opgewekt. Ter aanvulling van ons begrip van het opwekken van deze genegenheid introduceer ik het begrip oogfactor. Het is immers veelal de blik van een dier waar we voor zwichten, dankbaar uitgebuit door pandabeerbeschermers en de stichting ‘Bont voor Dieren’.

Kolibrievlinder op Zeepkruid. Foto San van der Molen. Klik op foto voor vergroting

Kolibrievlinder op Zeepkruid. Foto San van der Molen.
Klik op de foto om de oogfactor goed te zien

Vorige week, op een mooie zomerse dag in september, ging ik zelf voor de bijl. Plaats van het voorval: de botanische tuin ‘Fort Hoofddijk’ in Utrecht. Ik ga daar vaak en graag naar toe, en niet alleen om de uitbundige vegetatie te bewonderen, maar vooral ook om mijn aanhoudende nieuwsgierigheid naar vliegende bloembezoekers te bevredigen (vliegen de bijen vandaag en zo ja, waar halen ze de honing vandaan?). Direct na binnenkomst in de tuin kwam zij (hij?) langs, de Kolibrievlinder, een beauty met een hele hoge oogfactor. Ofschoon je ze hier in Nederland niet zo heel vaak ziet, zijn ze toch niet echt zeldzaam en vooral in de trektijd aan het einde van de zomer kan je het geluk hebben er een te treffen. Ze zijn niet schuw en ze hangen stil in de lucht voor een bloem op armlengte afstand om zich zowel bovenop de gekleurde vleugels als van opzij te laten bewonderen. Maar ze zijn watervlug en ze weten dat ze slechts een ogenblik nodig hebben om je te verleiden en een verpletterende indruk achter te laten. Ze zijn er in geslaagd om hun starre, uitdrukkingsloze facetoogjes zodanig met mascara op te maken dat je als kijker ervaart dat jouw blik in de diepte van hun pupillen verdwijnt zodat je uit schaamte even wegkijkt, totdat je beseft dat je misleid bent. Insecten hebben immers geen pupillen. Maar toch, die kraaloogjes ….!

11. Mannen in witte pakken

Nog nooit in de afgelopen 40 jaar heeft de imkerij zoveel belangstelling gehad als in de laatste jaren. Je kunt de radio niet aanzetten, of je hoort wel een bericht over bijen. Iedere zichzelf respecterende krant plaatst met enige regelmaat artikelen over recent bijenonderzoek of een interview met een bevlogen imker. En ik merk het ook in het persoonlijke contact: wekelijks is er wel iemand die mij naar mijn bijen vraagt. Het merendeel van deze nieuwsgierigheid heeft overigens een zorgelijke ondertoon: gaat het nog wel goed met de bijen? Ziektes, Varroamijten, gebrek aan drachtplanten en bestrijdingsmiddelengebruik eisen hun tol. Paradoxaal genoeg gaat het met de imkerij uitstekend en het aantal bijenvolken in Nederland neemt toe.

klik op afbeelding voor vergroting

klik op afbeeldingen voor vergroting

Niet alleen in Nederland krijgen imkers alle aandacht, ook over de grens mag de imkerij zich in een grote belangstelling verheugen. Vorige week wandelde ik in het Jardin du Luxembourg midden in het hart van Parijs en tot mijn teleurstelling was een deel van het park afgezet met dranghekken en rood-witte kettingen. Ik had me immers juist voorgenomen dit keer alle hoeken van dit mooie stadspark te bekijken. Achter de dranghekken zaten mannen en vrouwen in witte pakken en mijn eerste associatie was er een met een bommelding of iets dergelijks. Dichterbij gekomen zag ik echter dat het een groep imkers was: het betrof de halve woensdagmiddagklas van de Parijse imkerclub Société Central d’Apiculture (http://www.la-sca.net/spip.php?rubrique2). De andere helft van de klas 071oogstte op dat moment de laatste zomerhoning, bedoeld voor de verkoop op het jaarlijkse Fête du Miel in hetzelfde park op 27 en 28 september a.s.. Deze Société kan de toeloop van cursisten nauwelijks aan, zij organiseren jaarlijks drie parallelcursussen en alle 80 cursusplaatsen in 2015 zijn reeds bezet. Overigens kent deze Société een lange traditie van imkercursussen; sinds 1856 hebben enkele duizenden Parijzenaars een cursus in het Jardin du Luxembourg met goed gevolg afgesloten. De website van de SCA spreekt over plusieurs dizaines de milliers d’auditrices et d’auditeurs, maar dat lijkt me wat veel. Dat zijn er minstens 125 per jaar, wanneer het gaat over 20.000 cursisten in 160 jaar. Maar hoe het ook zij, de Franse trots hieromtrent zal zeker deels gepast zijn. affiche_Lux_2014-4fa42

Ik vraag me af, waar die enorme belangstelling vandaan komt. Toen ikzelf in 1972 imker werd, was de imkerij in Nederland weliswaar niet echt zieltogend maar ik was wel een heel jong broekie binnen een club van overwegend zeer grijze oude mannen en een paar dito vrouwen. Imkers leken tot een uitstervend ras te behoren. De ledenaantallen van de imkerclubs liepen al jarenlang terug en je werd als imker ook wel een beetje als wereldvreemd beschouwd. Wat een contrast met tegenwoordig! Nu wordt je als ‘hoeder van de biodiversiteit’ gekoesterd (voor wat het waard mag zijn …). Zou dat in Frankrijk vergelijkbaar zijn? Kende de imkerij daar net als hier een sterke teruggang in de 2e helft van de vorige eeuw? En wordt de imkerij daar net als in Nederland meer en meer een urbane aangelegenheid? In ieder geval doen de bijen het in het Jardin du Luxembourg geweldig goed, getuige de volle honingraten die uit de kasten werden gehaald. Ik zal mijn scouts vragen te onderzoeken wat de Parijzenaar op die feestmarkt betaalt voor een potje ‘Miel de Luxembourg’!

10. Verontwaardiging en glimlach

Waarin verschilde de recente maatschappelijke commotie rond “Minder! Minder! Minder!” met de ophef van destijds over schoten in de knie, kopvoddentaks en Polenmeldpunt? Zeker, de omvang van de maatschappelijke verontwaardiging was dit keer groter. Of liever gezegd, zij leek in ieder geval groter, ze was zichtbaarder en de media besteedden er meer aandacht aan. En sommige politieke kopstukken lieten zich dit keer, zij het na enige aarzeling, pregnanter horen: “Ik krijg er een vieze smaak van in mijn mond”; “Abject”; “Walgelijk”; “Vergif”; “Moeten we een cordon sanitaire opwerpen?”. De Duitse krant Die Zeit maakte zelfs een vergelijking met Goebbels. En toch was dit allemaal meer van hetzelfde, het bleef allemaal verontwaardiging zonder impact. Wederom was in alle ophef een ondertoon van hopeloze machteloosheid tegenover zoveel schoffering invoelbaar.

Behalve dit kwantitatieve onderscheid was er ditmaal een antwoord op het discriminerende, opruiende geblaat dat écht verschil maakte. Dit antwoord was afkomstig van de meest direct aangesproken groep Nederlanders van allochtone afkomst (en bij mijn waarneming werd er voor het eerst in de media ruim podium gegeven aan vertegenwoordigers van deze groep). Ik doel hier niet op de voorgeschotelde voorbeelden van de schrijnende effecten van de verwensingen: in zekere zin verwacht je als toeschouwer niet anders dan geconfronteerd te worden met voorbeelden van diepe angst bij de Marokkaanse Medelanders. Getuigenissen van ervaringen van basisschoolleerlingen die op hun schoolplein worden uitgejouwd, gaan door merg en been. Maar de uitwerking van dit akelige nieuws is andermaal meer van hetzelfde. Het onderstreept enerzijds opnieuw de ernst van de situatie en het wakkert anderzijds opnieuw het gevoel van onvermogen aan om oorzaken bij hun wortels aan te pakken.

foto van Twitter

foto van Twitter
klik voor meer voorbeelden op foto

Het echte verschil zat ‘m voor mij dit keer in het onverwachte, in iets wat ik vooraf nauwelijks voor mogelijk had kunnen houden. Jonge Marokkaanse Medelanders plaatsten vorige week massaal hun selfie op Twitter, met een Nederlands paspoort in hun hand. Deze actie trof zijn doel: de media pikten het gretig op. De actie was opgezet vanuit de gedachte: “Jongen, wat wil je nou, je krijgt mij echt het land niet uitgezet, want ik heb een Nederlands paspoort”. A very bold statement zou ik zeggen en er is geen speld tussen te krijgen. Maar wat deze actie mijns inziens echte maatschappelijke impact gaf, waren de vele glimlachende gezichten op die foto’s. Veel meer dan door de illustratie van de juridische status van hun Nederlanderschap werd ik, en gezien de reacties velen met mij, geraakt door die glimlach. Juist door hun glimlach bevestigen veel twitteraars van deze #Bornhere actie hun vanzelfsprekende aanwezigheid, hun ‘ZIJN’ in het hier en nu. Een boodschap die nog eens versterkt werd door de context waarbinnen ze werd afgegeven: je zal maar te horen krijgen dat je ongewenst bent en je respons is een glimlach!

foto van Twitter

foto van Twitter
klik voor meer voorbeelden op foto

Wat al deze mensen bewust of onbewust met hun nonverbale uitdrukking ook hebben willen communiceren, ik kan niet anders dan er een vriendelijk, ontspannen en open gebaar in zien. Ik lees in hun gezicht goedgezindheid, blijdschap en vertrouwen in de toekomst. Deze glimlachende actievoerders roepen mijn bewondering op en voor mij maken zij het verschil. Hun signaal tenslotte is van een geheel andere orde dan die van de hopeloze machteloosheid van onze volksvertegenwoordigers.

26 maart 2014

9. Boombevrijdingsdag

Deze blog draag ik op aan mijn dochter Ida

20 km rechte weg ancienne voie romaine tussen Vittel en Mrtigny les Bains

GR7 ten noorden van Martigny-les-Bains
klik voor vergroting

Het is 9 maart 2014 en wandelend over een oude Romeinse weg in N.-O. Frankrijk lees ik het landschap. De weg loopt over een afstand van ruim 20 km kaarsrecht door het open land, van heuveltop naar heuveltop en zij biedt magnifieke vergezichten. Je ziet voor je hoe het landschap er in de Romeinse tijd uit gezien zou kunnen hebben: aan weerszijden van de weg een greppel, dan een één of twee kilometer brede strook bouwland om vanaf de weg goed zicht te hebben, en achter dat bouwland dichte bossen en af en toe een vallei met uitzicht op een groepje boerderijen. De (romaanse) kerkjes zijn van later datum. De 2000 jaar oude fundering van de weg is nog geheel intact en her en der zichtbaar. Zelfs het plaveisel lijkt op sommige plaatsen origineel. Het Romeinse motto was ‘alsmaar rechtdoor’ en door de lichte glooiingen nodigt de weg uit om bewandeld te worden. Voor Caesar’s troepen gold: ‘Mijlen maken!’.

Net als overal elders in Europa vindt ook in La Lorraine schaalvergroting in de landbouw en kaalslag in het landschap plaats. Perceelsgrenzen worden geslecht, bosjes, hagen en overhoekjes worden ‘opgeruimd’, maar ondanks dat vind ik het landschap ter plekke nog bijzonder fraai. Het weer helpt hier zeker mee, zo ook de talloze Alouettes des champs, waarvan het gezang contrasteert met de eindeloze stilte. Opeens doemt er in de verte een lange rij recent aangeplante vruchtbomen op, in de berm van deze millennia-oude weg. Ze staan er precies zoals ze er moeten staan, denk ik: ver genoeg van het wegprofiel om beladen karren (sorry, tractoren) niet te hinderen en vanuit de verte versterken ze prachtig het beeld van de kaarsrechte weg. Kan je je in dit landschap iets mooiers voorstellen dan de aandacht die geschonken wordt aan de verfraaiing ervan? Een verfraaiing bovendien, die zonder enige twijfel past in de eeuwenoude traditie van vruchtbomen langs de weg?

Dichterbij gekomen zie ik dat er allerlei soorten tussen zitten: appels, peren, mirabellen, kweeperen, kersen, tientallen van elke soort. Welke vruchtbomen hebben die Romeinen van destijds allemaal over hun rijk verspreid? Deze bomen zijn een jaar of drie geleden aangeplant en mijn wandelgenoot en ik mijmeren over het aanplanten van vruchtbomen langs alle grote wandelroutes en pelgrimspaden dwars door Europa, bij wijze van routemarkering. En dan valt mijn oog op de knellende boombanden. Dit mooie initiatief lijkt in de kiem gesmoord te worden! De nazorg voor de jonge bomen in de jaren na de aanplant is achterwege gebleven en de dunne stammetjes worden intussen in hun diktegroei zodanig geremd dat de kroon het loodje gaat leggen. De nieuwe sapstroom komt al op gang, de knoppen zwellen reeds, maar sommige exemplaren zijn al helemaal klem gegroeid in de boomband die bedoeld was om stevigheid te bieden. Dit schreeuwt om verlossing!

boombevrijding langs ancienne voie romaine tussen Vittel en Mrtigny les Bains (2)boombevrijding langs ancienne voie romaine tussen Vittel en Mrtigny les Bains (12)Ik kan het niet laten en ik ga bomen bevrijden. Van enkele tientallen exemplaren die stevig genoeg zijn om zonder steunpaal de wind te trotseren, verwijder ik de knellende banden. Bij sommige trek ik ook de steunpaal omver, omdat die tegen de bast aanschuurt en wonden veroorzaakt. En zonder dat ik het me in eerste instantie bewust ben, verbind ik me door deze handeling met deze bomen, met deze Romeinse weg, met dit stukje Frankrijk. Tevreden kijk ik terug op het resultaat en de verzamelde boombanden hang ik op aan de laatste boompaal. Voldaan na gedane zaken verlang ik naar een volgende wandeling over deze weg, over een jaar of 5. Dan wil ik zien hoe fier en dik de bomen erbij staan; bomen die een beetje ‘mijn bomen’ zijn geworden.

8. Landschap lezen

Over het jezelf verbonden kunnen voelen met een landschap

GR 507 tussen Estrennes en Domjulien

Tussen Estrennes en Domjulien,
GR507, Lorraine.
Klik voor vergroting

Wandelen biedt je bij uitstek de gelegenheid om het landschap te lezen. Gaandeweg heb je volop de tijd om de vorm van het buitenste laagje van de aardkorst in je op te nemen, om de kleur en de structuur van de bodem te beoordelen, om waterstromen te volgen, om de verkaveling te bekijken en om logica in het paden- en wegenpatroon te ontdekken. Natuurlijk helpt het je wanneer je vooraf een beetje kennis hebt opgedaan: zaken waar je geen kennis van hebt neem je immers nauwelijks waar. (Hierin schuilt het geheim van de goede reisleider: hij weet iets wat jij niet weet, ziet daardoor meer dan jijzelf en slaagt er daardoor in de voor hemzelf triviale waarnemingen tot iets bijzonders voor jou te maken.) Al wandelende vorm je jezelf een beeld van de wijze waarop mensen ter plekke in de loop van de geschiedenis hun omgeving vorm hebben gegeven en hoe ze dat vandaag de dag nog steeds doen. En uiteindelijk begrijp je misschien iets van je eigen plaats en rol in dat landschap en zie je het effect van je eigen voetafdruk.

Of je het nu wilt of niet, alleen al door aanwezig te zijn heb je effect op een landschap. Soms is dat effect relatief groot en onomkeerbaar, maar meestal lijkt het effect weg te vallen in de ruis van de onnoemelijke aantallen andere factoren. Maar toch, het pad dat je bewandelt blijft een pad mede doordat jij het beloopt. Net zo goed als een akker een akker blijft omdat die jaar in jaar uit als akker bewerkt wordt. Wanneer je je bewust bent van de effecten van je aanwezigheid op het jou omringende landschap, dan ervaar je tevens dat je er integraal onderdeel van uit maakt (en van de hele wereld daar omheen, maar daar gaat deze blog niet over). Zonder jouw aanwezigheid is een landschap een ander landschap en landschap lezen is aldus ook je eigen geschiedenis lezen.

Toch is dit rationele, fysisch-geografische en sociaal-geografische begrip van een landschap, dit vermogen tot het lezen ervan nog niet voldoende om jezelf met een landschap te kunnen verbinden, om jezelf er in opgenomen te voelen. Om te beginnen verhoud jij je niet alleen tot het landschap, maar verhoudt het landschap zich ook tot jou. En die wederkerigheid is lang niet altijd welgevallig; in het ene type landschap voel je je immers veel meer thuis dan in het andere. Factoren als schoonheid, jezelf geborgen kunnen voelen, de diversiteit in vegetatie, fauna en cultuurhistorische elementen en het jezelf kunnen herkennen in die cultuurhistorie, spelen een grote rol in de gastvrijheid die je als wandelaar in een landschap ervaart. Daarnaast vraagt het je verbonden kunnen voelen met een landschap ook om actieve betrokkenheid, om het uitvoeren van gerichte handelingen. Ik denk dat de mate waarmee je je verbonden kan voelen met een landschap rechtevenredig toeneemt met de inspanningen die je in dat landschap verricht. Lopen is daarom zo’n goede manier om je ermee te verbinden; veel meer dan fietsen en oneindig veel meer dan autorijden. En het wordt natuurlijk echt iets anders wanneer je arbeid verricht in dat landschap, wanneer je zorg en aandacht besteedt aan datgene wat zich in dat landschap afspeelt. Bomen planten bijvoorbeeld. Hoe moet dat zijn voor families die al generaties lang op één en dezelfde plek wonen? Als voorbijganger tel je dan nauwelijks mee.

18 maart 2014

7. Tijdreizen

Of de transformatie in de natuur

Met een beetje fantasie is het voorjaar het moment bij uitstek om een reisje in de tijd te maken. Twee tot drie weken tijdsverschil overbruggen moet haalbaar zijn. Nee, ik doel niet op gedachte-experimenten rond de relativiteitstheorie of op sciencefiction gebaseerde literatuur, maar op een uitstapje langs een noord-zuid as in Europa. Wanneer je vroeg in het groeiseizoen naar het zuiden reist en goed om je heen kijkt, valt het je op dat het voorjaar verder gevorderd is naarmate je verder naar het zuiden afreist, en naar het noorden vice versa. In zekere zin reis je dus vooruit in de tijd als je naar het zuiden gaat en terug in de tijd als je naar het noorden gaat. In het najaar is dat precies andersom.

Exif_JPEG_PICTURE

Eerste bloei Boswilg (met honingbijen)

Eerste waarnemingen’ in de natuur, (eerste bloeiende Boswilg, eerste Maarts Viooltje, etc.), zijn te beschouwen als een transformatie van niets naar iets naar veel: maandenlang heb je tegen kale bomen aan zitten kijken (‘niets’), ineens zie je het eerste geel van een bloeiend wilgenkatje (‘iets’). Kort daarna zie je het overal (‘veel’). Juist omdat het een transformatie is, valt het zo sterk op. Dit heeft een analogie met het fenomeen uit de natuurkunde dat een minimum vaak veel beter waarneembaar is dan een maximum. Het verschil tussen bijvoorbeeld geen sigarettenrook (‘niets’) en de rook afkomstig van de eerste trek (‘iets’) valt altijd heel sterk op; het verschil tussen de volgende 15 en 45 sigaretten (‘veel’) die gerookt worden is nauwelijks meer waarneembaar.

De auto of liever nog de trein is voor dit tijdexperiment een uitstekend vervoermiddel; per dag leg je makkelijk enkele honderden kilometers af en de transformatie van niets naar iets naar veel speelt zich in een paar uur tijd voor je ogen af. Naast de Boswilg zijn er een flink aantal andere soorten die zich goed lenen voor deze prettige opwinding. Ze moeten natuurlijk een beetje opvallend zijn en liefst algemeen voorkomen langs de spoorbaan of snelweg, zoals Sleedoorn, Gele kornoelje en, iets later in het seizoen, de Noorse Esdoorn, de Kers enzovoorts. Paardekastanje is er ook zo een: in Maastricht bloeit die meestal een week eerder dan in Utrecht. Wanneer je reis echter fors langer is dan pakweg 500 kilometer zuidwaarts dan treedt er een ander fenomeen op: naast bekende soorten zie je dan gaandeweg ook steeds meer nieuwe soorten verschijnen die in je eigen woonomgeving helemaal niet voorkomen. De eerste bloei van zo’n nieuwe, zuidelijke soort ontkracht dat gevoel van tijdreizen, omdat het je zo overduidelijk met je neus op de feiten drukt dat je je natuurlijk helemaal niet in de tijd maar in de ruimte aan het verplaatsen bent: je bent dan in een ander floradistrict aangekomen.

Eerlijk gezegd verwacht ik dat mijn aanstaande tijdreisje langs de noord-zuid as in het voorjaar van 2014 wat dit betreft niet zo spectaculair zal zijn: de winter, die geen winter was, heeft ervoor gezorgd dat we hier al een maandje voorlopen. Het Klein Hoefblad en de Boswilg staan reeds in bloei. Maar mijn voorpret is er niet minder om en ik laat me graag verrassen.

3 maart 2014

6. Solargrafie van een voorjaarssprint

Enkele weken geleden schreef ik een blog over de wisseling van het lichtseizoen en ik beweerde dat de zon op 4 februari aan haar voorjaarssprintje begint. Dit leverde mooie reacties op, variërend van nieuw inzicht in de achtergrond van de traditie van franse pannenkoeken tijdens Maria Lichtmis tot verzoeken voor meer uitleg over het tempo van de zon. Over franse crêpes wil ik een andere keer gaan schrijven en ik deins ervoor terug om in mijn blogs wetenschappelijke uitleg te geven over de gevolgen van de scheve stand van de aardas. Dat lukt me niet in een paar honderd woorden. Maar dan schiet Jan Koeman mij te hulp. Jan is meesterfotograaf van lichtverschijnselen aan het hemelgewelf en hij stuurde mij de verbluffende resultaten van een project dat uitblinkt in schoonheid en eenvoud.

Jan startte enkele jaren geleden bij de Volkssterrenwacht in Middelburg het project Solargrafie. Zo’n 100 deelnemers werden uitgedaagd om met behulp van slechts een bierblikje, wat ductape, een speld en wat ouderwets lichtgevoelig fotopapier in 10 stappen een foto van de zon te maken. Stap 1: Deksel netjes van blikje afdraaien met blikopener, blikje leegdrinken en schoonmaken; 2: Blikje meenemen naar ‘donkere kamer’; 3: Velletje lichtgevoelig fotopapier onder in blikje bevestigen; 4: Deksel op blikje bevestigen met ductape; 5: Heel klein gaatje in deksel prikken en gaatje afplakken; 6: Blikje op 21 december of 21 juni buiten stevig bevestigen met het gaatje op het zuiden gericht en gaatje openen; 7: Blikje na 6 maanden verwijderen; 8: Fotopapier uit blikje halen. Het beeld is ‘negatief’; 9: Fotonegatief scannen; 10: Met fotobewerkingsprogramma een ‘fotopositief’ beeld maken en klaar is Kees.

Foto Jan Koeman Solargraph Kloetinghe 2012

Foto Jan Koeman, Solargraph Kloetinge 2012,      klik voor vergroting

Je gelooft je ogen niet! Het project leverde fantastische foto’s op en het haalde de landelijke pers. Je ziet in één oogopslag de loop van de zon langs de hemel gedurende 6 maanden (de foto hier links is gemaakt met een sluitertijd van 5 maanden, van 25 december tot einde mei). Op iedere heldere dag laat de zon een lichtspoor op het fotopapier achter; iedere volgende dag net een beetje hoger dan de vorige.

Terug naar het voorjaarssprintje van de zon. Op de foto zie je (*) dat de verhoging van de top van het lichtspoor in de eerste 6 à 7 weken (tussen 25 december en begin februari) heel gering is ten opzichte van eenzelfde periode daarna (begin februari tot 2e helft maart). Je ziet dat de zon als het ware vanaf begin februari meer dan 2 maal zo hard rent als in de weken daarvoor. Om dit voorjaarssprintje te begrijpen kan je beter één mooie foto van Jan bekijken dan tien blogs lezen. En ga vooral naar zijn website voor nog veel meer fraaie foto’s.

Dank je wel, Jan!

(*) Natuurlijk zie je hier een vertekend beeld: het papier zit een beetje gekromd in het blikje, maar met de uitleg daarover zou deze blog toch nog wetenschap worden.

26 februari 2014