Month: januari 2014

2. Groene moraalridders

Over het verwerpen van de intrinsieke waarde van de natuur

Binnenkort spreekt de Tweede Kamer over een nieuwe Natuurbeschermingswet (NBwet). 50 natuurbeschermingsorganisaties hebben met een gezamenlijk Visiedocument alvast een voorzet gegeven. Hun werkstuk is zo doorwrocht, dat je bijna zou denken dat de Tweede Kamer dit Visiedocument als een kant en klare Nota van wijziging op de wetsvoorstellen zou kunnen goedkeuren. Zij kan daar maar beter van af zien.

ridders 054

foto Wim Vermaak

Het begrip intrinsieke waarde komt uit de ethiek en wil aangeven dat iets een waarde in zichzelf kan hebben, los van de (instrumentele) waarde die wij er aan toe kennen. Milieufilosofen hebben dit begrip toegepast op natuur vanuit de gedachte dat planten, dieren en mensen in beginsel evenveel recht op bestaan hebben. Echter, onder filosofen is er volstrekt geen consensus over de bruikbaarheid van dit begrip. De wetgever zou zich moeten afvragen of zij haar wetten wil baseren op controversiële, niet uitgekristalliseerde begrippen.

Toch heeft de wetgever het begrip intrinsieke waarde al eerder gebruikt, o.a. in de ‘Wet dieren’ van 2011, waarin regels worden gesteld ten aanzien van gehouden dieren en daaraan gerelateerde onderwerpen. Dan gaat het bijvoorbeeld over veehouderij en over vivisectie. In deze wet is het gebruik van het begrip intrinsieke waarde echter te billijken. Immers, het object waarvan de waarde moet worden erkend is goed afgebakend. Maar bovenal wil de wetgever een gericht handelingsperspectief jegens huisdieren creëren: er valt uit af te leiden dat je iets moet doen en laten om dierenleed te voorkomen, om natuurlijk gedrag van dieren te bevorderen en wat dies meer zij. Het Visiedocument stelt voor om dit aspect van de ‘Wet dieren’ te verbreden naar de NBwet. Dat is echter methodologisch onjuist: richtlijnen voor het algemene (i.c. de gehele natuur) laten zich niet definiëren vanuit richtlijnen voor het bijzondere (i.c. het individuele huisdier). Dat zou de beginselen van ons rechtssysteem aantasten!

Het Visiedocument beveelt vervolgens aan om bij de verstoring van de natuur de intrinsieke waarde van die natuur af te wegen tegen het belang van mensen die de verstoring veroorzaken. Maar dit is een drogreden. Wanneer geen uitdrukking gegeven kan worden aan intrinsieke waarde (Is het blauw? Is het relatief of absoluut?) kan het niet afgewogen worden tegen een andersoortige (instrumentele) waarde. ‘Natuur’ is als begrip veel te abstract om het als object van intrinsieke waarde te kunnen beschouwen en de NBwet gaat niet over concreet afgebakende objecten. Over welke natuur wil men het hebben? Over de Huismus? Over alle natuur binnen onze natuurgebieden? En houdt de natuurbeheerder zelf wel rekening met de intrinsieke waarde wanneer hij het ene type natuur bevordert boven het andere? “Als we niet beheren, groeit er overal bos” is een veelgebruikt motief om willens en wetens de ene soort om zeep te helpen om ruimte te creëren voor een andere. Net als bij de keuze voor elke andere verstoring van ‘de natuur’ blijf je na het erkennen van de intrinsieke waarde met lege handen staan.

Intrinsieke waarde is voer voor milieufilosofen en de wetgever zal een taaie kluif hebben aan het omschrijven van ‘het erkennen van intrinsieke waarde’ in haar Memorie van toelichting op de NBwet. Zij kan zich er maar beter helemaal niet aan branden. Het streven is immers naar een wet die helderder is dan de huidige. Met het voorstel om het begrip intrinsieke waarde op te nemen in de NBwet schieten de groene organisaties hun doel voorbij. En dat is jammer, vooral omdat hun Visiedocument in alle andere opzichten een constructieve bijdrage is aan de discussie. Tenslotte hebben we intrinsieke waarde helemaal niet nodig om een nieuwe wet van een stevig fundament te voorzien. Er zijn redenen te over om natuur te beschermen, niet in het minst die vanuit een welbegrepen eigenbelang.

30 januari 2014

 

1. Snoeivrees

Of de voldoening van de meester

Minne Buwalda deed in december 2013 een oproep in de NRC tot ‘leraarschap’ oftewel tot het overdragen en nalaten van existentiële kennis, omdat dat zowel de leerling als de meester ten goede komt. Dat beeld spreekt me wel aan, het doet me denken aan de jaren die ik zelf als leerling doorbracht op het dak naast meesterrietdekker Toon van Dijk, die alle tijd nam om mij zijn ambacht te leren. Heerlijk was dat en misschien was het wel de mooiste tijd van mijn leven: een tijd van onbezorgd leerling kunnen zijn.

Gisteren werd ik echter op een veel intenser genot getrakteerd: ik mocht de voldoening van de meester smaken. Kennis en ambacht vergaren is mooi, zien dat de door jou doorgegeven kennis en ervaring worden opgepikt is nog veel mooier. Het betrof hier mijn nicht Lotte, aan het werk in haar tuin.

Iedere leerling-snoeier kent het horror pleni oftewel de snoeivrees, als pendant van het horror vacui van de schilder voor een maagdelijk wit doek: een boom of struik zó vol met takken dat je geen idee hebt waar je moet beginnen. Net als de eerste streek op het doek is de eerste knip onomkeerbaar. Dat zijn die daarna trouwens ook. De angst bekruipt je dat je juist die takken wegsnoeit waar later in het seizoen de geurende bloemen dan wel de zoete vruchten aan zouden moeten komen. Nou vertelde mijn eigen fruitteeltleraar Cees Pater dat je al doende leert, en dat wanneer je echt goed wil leren snoeien, je het beste veel ervaring op kan doen in de tuin van je buren. Hij stelde daarbij wel meteen de voorwaarde, dat je je buren moet uitnodigen om hetzelfde bij jou te komen doen. Hij had om twee redenen gelijk: bij je eigen bomen en struiken is je snoeivrees veel groter dan bij die van je buren. En daarnaast wil je je buren te vriend houden, dus lever je goed werk af.

De snoeilessen van Pater hebben hun vruchten afgeworpen. Ik heb in mijn leven al een aantal snoeischaren ‘Felco 2’ versleten, ik heb menige wederdienst betaald met vele uren snoeiplezier in andermans fruithof en bovendien heb ik zelf snoeicursussen mogen geven.

copyright Wim Vermaak

foto Wim Vermaak

Maar het heeft even geduurd vóór ik de kunst van het snoeien der druiven zodanig beheerste, dat ik ook dat aspect van de snoeikunst durfde over te dragen. Toen Lotte 5 jaar geleden haar eerste eigen tuin had, wilde ze alles van me weten, ook hoe ze een mooi cordon moest vormen van de druif die ik haar schonk. Druiven snoeien in zo’n mooi geleide vorm langs een gevel of in een kas is hogeschoolkunde(1) en het lijkt voor de leek zó ingewikkeld dat het niet te leren valt en zeker niet uit een boek. Het meest inspirerende voorbeeld is ‘The Great Vine’ in de kas van Hampton Court Palace (Richmond, London), een Vitis vinifera ‘Shiva Grossa’ geplant in 1769, met inmiddels een stamomvang aan de basis van 4 meter, gesteltakken van 36 meter lang en een gemiddelde jaarlijkse opbrengst van 272 kg diepblauwe dessertdruiven. Van één plant welteverstaan. En in goede jaren is de oogst nog eens de helft groter!

vruchtzetelklein

foto Lotte Sprengers

Bij de cordonsnoei worden lange, rechte gesteltakken opgebouwd met een verlengenis van 20 à 30 cm/jaar, bezet met vruchtzetels op een onderlinge afstand van de breedte van een mannenhand. Vanuit één vruchtzetel worden jaarlijks twee ranken gekoesterd, één om vruchten te dragen en één om twee knoppen voor de twee nieuwe ranken van het jaar daarna te laten zwellen. Maar over welke ranken heb je het dan? En welke knoppen aan welke tak moet je dan laten zitten? Welke uitlopers moet je ‘dieven’ en welke moet je vooral niet weghalen? De druif zelf houdt zich namelijk helemaal niet aan die wetmatigheid van twee. Geen struik die zo weelderig groeit als een druif. In plaats van twee ranken per vruchtzetel ontspringen er talloze. Horror pleni!

Wát een gepaste trots en wat een voldoening viel mij ten deel toen ik gisteren Lotte haar druif zag snoeien, niet gehinderd door de blik van haar leermeester. Trefzeker, zonder enige aarzeling en in een vlot tempo ontdeed zij haar druif van afgedragen en overtollig hout, bij iedere vruchtzetel zette zij precies boven de juiste knop een knip, en ze leek bijna intuïtief te werk te gaan. Zou Buwalda deze existentiële wederkerigheid in de meester – leerling relatie bedoelen? Haar ingehouden trots die mijn gepaste trots versterkte? Hetgeen haar weer enthousiasmeerde en wat mij vervolgens zoveel voldoening gaf? Het echte genieten van het snoeien der druiven begint pas net!

1) Wybe Kuitert en Jan Freriks (1994): Hovenierskunst in Palmet en Pauwstaart. Geschiedenis en techniek van het snoeien van leifruit. Uitgeverij De Hef, Rotterdam

27 januari 2014